|
|
| Een gehaaide oppositieleider wil stemmen winnen en ziet dankzij "een spectaculaire winstsprong van 100%" ruimte voor hogere lonen en dito uitkeringen. | Een wakkere minister van Financiën wil een loongolf (en inflatie) voorkomen en spreekt over "een bescheiden winststijging van slechts 4 procentpunten". |
![]() |
![]() |
Beide kaartjes geven precies hetzelfde percentage van het nationaal inkomen weer. Het linker kaartje werd enkele tientallen jaren geleden gepubliceerd door de First National Bank of Boston. De bank koos niet voor niets voor de staten ten westen van de Mississippi: die vertegenwoordigden immers een groot oppervlak en, o.a. omdat ze zo dun bevolkt waren, slechts een klein deel van het nationaal inkomen.
Een pak halfvolle melk is het afgelopen jaar een halve euro goedkoper geworden en kost nu 0,50 euro. De prijs van een heel brood is de afgelopen 12 maanden gestegen van 1 naar 2 euro.
| De financieel specialist van de oppositie ziet tot haar schrik het prijspeil (= een gemiddelde van de prijzen van goederen) stijgen. | De minister van Financiën ziet tot grote tevredenheid het prijspeil dalen. |
Om te kunnen voldoen aan de normen voor toetreding tot de Europese Unie zag de Poolse overheid zich enige tijd geleden genoodzaakt om de ambtenarensalarissen met 10% te verlagen.
| De regering besluit nu, na daling van het overheidstekort, om de korting op het loon "volledig ongedaan te maken". De ambtenaren krijgen een loonsverhoging van 10%. | Een oplettend lid van de oppositie maakt de volgende rekensom... Na de verlaging met 10% bleef er van een salaris van 1 500 euro 1 350 euro over. Een verhoging met 10% brengt het salaris niet terug op het oude niveau: het blijft steken op 1 485 euro. |
De Nederlandse werkloosheid is het afgelopen jaar, ook na een correctie voor seizoensinvloeden, met gemiddeld 4 000 per kwartaal gestegen tot 485 000.
| De oppositie toont het failliet van het regeringbeleid aan: de grafiek laat een dramatische stijging van de werkloosheid zien. | De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zegt dat de oppositie het land een recessie probeert aan te praten. "Stemmingmakerij" want uit de grafiek blijkt dat de werkloosheid vrijwel gelijk gebleven is. |
Rommelen met definities is ook een optie. Dat bleek o.a. uit een artikel in de VPRO Gids (oktober 1998) over het begrip werkloosheid. Econoom Dirk Horringa zegt daarin:
"In 1987 had Nederland volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een werkloosheid van 14,4%. Dat was te hoog en dus stationeerde het tweede kabinet Lubbers de diplomaat drs. H. Labohm bij de OESO. Hij moest ervoor zorgen dat de door de OESO gehanteerde cijfers werden vervangen door de (lagere) cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De werkloosheid 'daalde' inderdaad prompt tot 8,8 procent. Na het vertrek van Labohm in 1992 hanteerde de OESO echter weer de eigen cijfers: de Nederlandse werkloosheid 'steeg' van de ene op de andere dag tot 27 procent."
Iedere dag een "Weetje van de dag". |
![]() |
Ruim een week na het online gaan van (de eerste versie van) dit "Handboek voor (aspirant) politici", op 25 juni 1999, schrijft Labohm echter in een brief aan "Cijfers liegen niet!":
"Dit verhaal is volkomen uit de lucht gegrepen. (...) Ik heb nimmer enige instructie ontvangen om aan te dringen op het 'omlaag' rekenen van de Nederlandse werkloosheidscijfers. (...) Wel is het zo dat er verschillende manieren zijn om werkloosheid te meten. (...) Het feit dat Horringa mijn activiteiten bij de OESO in zo'n negatief daglicht stelt is extra bizar omdat ik, in de nationale discussie over werkgelegenheidsvraagstukken en ook in mijn voordrachten in het buitenland over de zegeningen van het poldermodel, standpunten naar voren heb gebracht die grote overeenkomst vertonen met die van Horringa."
Anders (gaan) meten kan dus ook! Een goed voorbeeld is het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat ging in het voorjaar van 1999, op aandringen van de Europese Unie, het Bruto Binnenlands Product (BBP) anders berekenen. En zo werd Nederland van de ene op de andere dag 32 miljard gulden rijker (een toename van 4,2%). Het overheidstekort nam op dat zelfde moment met 0,2% af en kwam daarmee op 0,7% van het BBP.